I GETROUWD
II LICHTMIS
III DE BOETVAARDIGE
IV DE SCHADUW

JOHAN DOXA

VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER

door

HERMAN TEIRLINCK

1917


I

JOHAN DOXA

GETROUWD

Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, eengrijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er eensmal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en eengroen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, eenwaarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar devierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onderhet venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buitenhield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppenen amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjesnevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achterde toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing hetspeelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollennetten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo almeer.

Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgensin zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoelwas laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel totop de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beidehanden gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmutsop zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterdeweg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hekopenstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handenbleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijnvoorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar hetdeurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.

De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aanzijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden erheerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deedmet pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, deAnspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen enrijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierdede Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daarliggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eeneruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek metbelangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, deharingventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren vankroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazendendraaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. Danliep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in dePriemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over tegeven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijkeherbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledigetonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinkenansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijnbinnenzak steken had.

's Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronker met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde eenslaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld eneenderlijk liggen in het laag bed, tegen de

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!